Groep 1
Marleen Smit, Janneke Rouwenhorst

Tussendoelen en leerlijnen


Tussendoelen en leerlijnen

Op deze pagina kunt u alles lezen over de doelen waar we in groep 1 aan werken gedurende het schooljaar.
We werken in de kleutergroepen met Tussendoelen en Leerlijnen, hier zitten, verdeeld over vier leerlijnen, alle doelen die de kleuters aangeboden moeten krijgen in verwerkt.
Groep 1 en groep 2 zijn in totaal verdeeld in tien periodes; periode 1 t/m 5 horen bij groep 1, periode 6 t/m 10 bij groep 2. In grote lijnen zijn die periodes als volgt verdeeld; van zomer- tot herfstvakantie, van herfst- tot kerstvakantie, van kerst- tot voorjaarsvakantie, van voorjaars- tot meivakantie, van mei- tot zomervakantie. Niet ieder kind zit altijd met alles op hetzelfde niveau; het kan best zijn dat een kleuter binnen bijvoorbeeld de leerlijn Rekenen al heel ver is maar nog moeite heeft met Taal, Motoriek of Sociaal-emotionele vaardigheden. De kleuters zijn op hun eigen niveau bezig en krijgen indien nodig extra hulp of oefening, of extra aanbod bij een ontwikkelingsvoorsprong binnen een bepaalde leerlijn.


Periode 1
Taal:
spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid
Luisteractiviteiten aanbieden:
  • Naar leerkracht en medeleerlingen (5 min)
  • Luisteren naar geluiden en nabootsen
  • Luisteren naar eenvoudige opdracht (en begrijpen   
  • stimuleren)
  • Eenlettergrepig woord nazeggen
Correct spreken stimuleren: zich in korte zinnen verstaanbaar uiten
Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag aanbieden, uitleggen, later consolideren en controleren
Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen:
    arm      hand      been     voet      buik    rug
Opzegversjes en liedjes aanbieden (stimuleren tot meezeggen / zingen)
d.m.v. Interactief voorlezen van boeken en teksten, daarbij kinderen
  • Bekend maken met boeken, kaft, titel, bladzijde etc.
  • Laten reageren op geschreven taal
  • Praten over plaatjes
  • Commentaar geven
Koppeling gesproken – geschreven taal verder bevorderen d.m.v. zichtbare letters en woorden in de klas
Classificeren: op soortnamen uit directe leefwereld (bijvoorbeeld kleren en speelgoed)
Visuele waarneming stimuleren door:
  • Op plaat vijf details aanwijzen (waar is de …..?)
  • Kleuren aanwijzen, benoemen (rood, geel)
  • Grotere puzzels met concrete voorstelling maken
Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde
Getallenlijn met cijfers 1 t/m 10
Aanbieden:   Tellen en getalbegrip:
  • Tellen als versje 1-5 d.m.v. versjes opzeggen / zingen en eventueel aanleren
  • Getallen in prentenboeken benoemen (ook volgende blokken)
Meten: Kennismaken met Lengte, Inhoud, Gewicht:
Globaal besef hoeveelheid en grootte drie dimensionaal (passief):
  • Veel – weinig
  • Groot klein, groter-kleiner, grootst-kleinst,
  • Lang–kort, langer-korter, langst-kortst
  • Evenveel, Even groot
 
Meetkunde: De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen
    (positie) :  voor, achter, op          
    (richting) : naar toe, vanaf Idem in het platte vak
 
De kinderen  (ook in volgende perioden) ervaring op laten doen met:
  • het construeren met vrij materiaal,
  • bouwen met (groot)  constructiemateriaal als blokken, duplo, kapla, rails
  • groot materiaal met hulp op, in elkaar passen;
  • ander meetkundig constructiemateriaal
  • papier
Ze in deze periode in aanraking laten komen met de volgende meetkundige figuren: Blok    Kubus    Bal     Bol en deze vorm aanwijzen en  benoemen
Tijd: verschil dag-nacht
Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen’
Fijne en grove  motoriek (ook periode 2)
Scheuren en knippen
  • scheuren van stukjes papier
  • aanleren van knipbeweging
  • knippen van rechte en gebogen lijn
Plakken:  vrij plakken; leerkracht helpt lijm aanbrengen
Vouwen:  aanleren van techniek van vouwen
Tekenen / schilderen:
  • vrij werken met groot materiaal
  • inkleuren van grote vormen
  • diverse materialen (verf, wasco, krijt etc)
Lopen en rennen
  • Buiten en in speellokaal
  • Tikspel aanbieden
Vangen en gooien:
  • pittenzak in handen vangen
  • grote bal vangen en onderhands gooien
  • rollen met grote bal
Rollen:  aanbieden koprol: ‘mag’ nog min of meer op hoofd staan,  met hulp in verkeerde richting
Huppelen  aanbieden: ‘mag’ nog
  • schuifelen, voorkeursvoet
  • tweemaal op één been hinkelen, enkel passen maken, dan op het andere been hinkelen
    Springen: twee voeten
Evenwicht:
  • stilstaan op twee voeten, zonder steun
  • over brede kant van een bank lopen
Klimmen:  rek: (voorzichtig, langzaam) klimmen
Sociaal emotionele ontwikkeling:
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie  (ook periode 2)Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende              
Spel:
  • spelen van kortdurende, op zich staande thema’s
  • eenvoudige spelvormen: sensopathisch spel, herhalend spel, vrij spel in hoeken, rollenspel,
  • experimenteren
  • goed leren omgaan met spelmateriaal en het materiaal gebruiken waarvoor het bedoeld is
Zelf:
  • leren kennen van de begrippen ik, jij, wij, jullie
  • positieve ervaringen laten opdoen: dit kan ik al!
 
Sociale ontwikkeling:
  • (kort) meedoen aan groepsactiviteiten: kringspel,bewegingsspelletjes, liedjes
  • Weten namen van enkele  medeleerlingen
  • Kijken naar en belangstelling voor anderen als zij praten
  • Materiaal delen (ook periode 2)
  • Voorzichtig aanleren met op de beurt wachten
 Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Goed gebruik wc, handen wassen
  • Kunnen jas ophangen, jas aantrekken, schoenen aantrekken
  • een bekende opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en leren overzicht hebben van daarbij benodigde materialen
  • aandacht opbrengen voor werkje (5-10 minuten)
 
Periode 2
Taal:
spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid
Luisteractiviteiten aanbieden:
  • naar leerkracht en medeleerlingen (5 min),
  • Luisteren naar verschillen tussen geluiden en deze herkennen
  • adequaat laten reageren op eenvoudige vragen en opdrachten
  • passief hanteren: Hard zacht, harder zachter, hardst zachtst
  • Trefwoord in zin herkennen
Correct spreken stimuleren:
  • Zich in korte zinnen verstaanbaar uiten
  • Meerlettergrepig woorden (eenvoudig) nazeggen (deurbel)
 Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag aanbieden,  
 uitleggen / semantiseren, later consolideren en controleren
Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen:
    hoofd          neus          rug         ogen        mond       
    buik            oren           haren     borst
  • Aandacht voor omslag van het boek, titel etc
  • De taal van voorleesboeken begrijpen.
  • Weten dat verhalen een opbouw hebben.
  • Een conclusie kunnen trekken n.a.v. een voorgelezen verhaal.
  • Voorspellingen doen over het (verdere) verloop van het verhaal.
 Koppeling gesproken en geschreven taal bevorderen door te schrijven in de aanwezigheid van kinderen
Classificeren: op één zichtbaar kenmerk, (vorm, kleur)
Visuele waarneming stimuleren door:
Bij voorwerp ontbrekend detail opsporen (bv. gezicht: wat is er weg / ontbreekt?
Kleuren aanwijzen, benoemen (groen, blauw)


Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde
 
Tellen en getalbegrip:
  • tellen en telrij 1-10 d.m.v. o.a. versjes opzeggen /  
  • zingen en spontane telsituaties benutten
  • getallen in prentenboeken benoemen
  • Herkennen groepjes van 2  zonder te tellen
  • Hoeveelheid 1-5 op vingers  tonen
  • Aandacht voor dobbelsteenstructuur (ook blok 4)
 Meten: Lengte,  Inhoud, Gewicht:  Globaal besef hoeveelheid en grootte drie dimensionaal (passief):
  • Hoog-laag, hoger-lager, hoogst-laagst
  • Dik-dun, dikker-dunner, dikst-dunst
  • Zwaar-licht. zwaarder-lichter, zwaarst-lichtst
  • Meer-minder, meest-minst
  • Even hoog, dik, zwaar, etc.
Seriëren: Van klein naar groot, van kort naar lang
 
Meetkunde: De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen:
(positie) :  binnen, buiten, onder, boven
(richting) : naar beneden,  naar boven
  Idem in het platte vak
De kinderen  (ook in volgende blokken) ervaring op laten doen met:
  • het construeren met vrij materiaal,
  • bouwen met (groot)  constructiemateriaal als blokken,duplo, kapla, rails
  • groot materiaal met hulp op, in elkaar passen;
  • ander meetkundig constructiemateriaal
  • papier, water, zand
 Ze in aanraking laten komen met bekende meetkundige figuren zoals:
rechthoek      vierkant      cirkel      driehoek en deze vorm aanwijzen en  benoemen


Tijd:
* dagritme in de klas en  thuis
* Aandacht voor: gisteren, vandaag, morgen 
              (hoeven ze nog niet te kennen, wel aanbieden)
Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen’.(ook periode 3-5)
Fijne en grove  motoriek
Scheuren en knippen
  • scheuren van stukjes papier
  • aanleren van knipbeweging
  • knippen van rechte en gebogen lijn
 
Plakken:  vrij plakken; leerkracht helpt lijm aanbrengen
Vouwen:  aanleren van techniek van vouwen en eenvoudige
vouwsels maken
Tekenen / schilderen:
*  vrij werken met groot materiaal, inkleuren van grote vormen:  Diverse materialen (verf, wasco, krijt, kleurpotloden)
Klei: experimenteren, balletje, slangetje  maken
Lopen en rennen
  • Buiten en in speellokaal
  • Tikspel aanbieden
Vangen en gooien:
  • pittenzak in handen vangen
  • grote bal vangen en onderhands gooien
  • rollen met grote bal
Rollen:  aanbieden koprol: ‘mag’ nog min of meer op hoofd staan,  met hulp in verkeerde richting
Huppelen en hinkelen aanbieden
Springen: Twee voeten, van verhoging springen, op twee voeten landen
Evenwicht:
  • stilstaan op twee voeten, zonder steun
  • over brede kant van een bank lopen
  • even op 1 been staan
Klimmen:  rek: (voorzichtig, langzaam) klimmen
Sociaal emotionele ontwikkeling:
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie 
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende              
Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Goed gebruik wc, handen wassen
  • Jas ophangen, jas aantrekken, schoenen aantrekken, zelf aan / uitkleden
  • een bekende opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen
aandacht opbrengen voor werkje (5-10 minuten)‘
 

Periode 3
 
Taal: spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid
Luisteren:
  • Naar leerkracht en medeleerlingen (5-10 minuten) 
  • Luisteren naar en herkennen van verschillen tussen geluiden: hoog/laag
  • Luisteren naar en herkennen van hert verschil tussen lange zinnen – korte zinnen, lange woorden –  korte woorden
  • Korte zin nazeggen (3 woorden), eerste en/of laatste woord benoemen
 Spreken:
  • Spreken in spelsituaties stimuleren, gericht op de ander, vragen: Mag ik meedoen? Mag ik dit gebruiken / hebben?
  • Spreken in diverse situaties stimuleren zodat correcte zinsbouw zich kan ontwikkelen
 Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag aanbieden,  
 uitleggen / semantiseren, later consolideren en controleren
 Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen:
Billen    schouder    borst    rug    nek 
Spelletjes met woorden in zinnen onderscheiden, d.m.v.
  • Tel de woorden in een zin
  • Verzin een zin
  • Maak de zin langer
Interactief voorlezen 3 x per week aandacht besteden aan:
  • Boeken worden gelezen van voor naar achter, bladzijden van boven naar beneden en regels van links naar rechts
  • Aan de hand van de omslag de inhoud van een boek al enigszins vooorspellen
  • Later checken: klopte de voorspelling?
  • Vragen stellen over het boek (luisteren en gebruik illustraties stimuleren)
  • Een voorgelezen verhaal naspelen terwijl de leerkracht vertelt
Relatie tussen geschreven en gesproken taal aanbieden:
  • Aandacht voor pictogrammen
  • Laten ervaren dat geschreven taalproducten zoals briefjes, appjes, boeken en tijdschriften mogelijkheden bieden tot communicatie
  • Modelen dat geschreven woorden kunnen worden uitgesproken
  • Laten ervaren dat je door iets op te schrijven iets vast kunt leggen en onthouden
  • Verschil tussen lezen en schrijven laten ervaren
 Classificeren en seriëren aanbieden: Sorteeropdrachtjes  / spelletjes op kleur en/of vorm
 
Visuele waarneming stimuleren door:
  • Kleur aanwijzen, benoemen:  Zwart, wit, oranje, herhalen rood geel blauw groen
  • Verschillen in eenvoudige plaatjes onderscheiden
  • Op complexere kaart 10 details aanwijzen
 
Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde
Tellen en getalbegrip:
  • Aanrakend en aanwijzend synchroon tellen 1-5
  • Getallenreeks: welk getal onder de vlek? (getallen 1 t/m 5)
  • Buurgetallen 1-5
  • Herkennen groepjes van 2 en 3 zonder te tellen
  • Telrij tot 10 aanbieden (ook periode 4)
  • Aanbieden: eerste, tweede, derde (rangtelwoorden, ook periode 4, 6)
 Meten: Lengte  Inhoud  Gewicht: globaal besef hoeveelheid en grootte: tweedimensionaal (passief) begrippen:
  • Veel – weinig
  • Groot klein, groter-kleiner, grootst-kleinst,
  • Lang–kort, langer-korter, langst-kortst
  • Hoog-laag, hoger-lager, hoogst-laagst
  • Dik-dun, dikker-dunner, dikst-dunst
  • Zwaar-licht. zwaarder-lichter, zwaarst-lichtst
  • Meer-minder, meest-minst
  • Evenveel,  Even groot, Even hoog, dik, zwaar, etc.
  • Activiteiten aanbieden met het afpassend meten met maateenheden als stap, voet en meterstrook (ook periode 4, 5).
Spelen en experimenteren met inhouden, zowel in de betekenis van wat erin zit als wat erin kan. Op verschillende manieren vergelijken: op het oog, via in elkaar overgieten,
  • en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel (ook periode 4,5)
Meetkunde: 
-De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen:
(Positie): hier, daar, dichtbij, ver weg
(Richting): heen, terug
 Idem in het platte vlak
- Verschil laten ervaren tussen recht (oversteken) en schuin (oversteken)
Ze in aanraking laten komen met bekende meetkundige figuren zoals   Balk,   Kubus,   Blok en deze vorm aanwijzen en benoemen
 
- Bouwen met constructiemateriaal als duplo, lego, blokken, rails, kapla etc. (ook periode 4)
- Eenvoudige bouwwerken van een voorbeeld nabouwen (ook periode 4)
Construeren met ‘vrij’ materiaal, met blokken,  ander meetkundig constructiemateriaal, en met papier
 
Tijd:
  • Dagen van de week en het weekend
  • Seizoenen benoemen + eenvoudige kenmerken (bv. winter: warme kleding)
Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen’
Fijne en grove  motoriek
       Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende   
       stimuleren:
Knippen en plakken:
  • knippen van rechte en gebogen lijn
  • grove vormen knippen en plakken
  • een betekenisvolle vorm plakken
  • inpakken van vormen in papier
Vouwen:  eenvoudige vouwsels maken, minimaal rechte en schuine vouw
Kralen: kralenplank, grote kralen rijgen
Tekenen / schilderen:
  • vrij werken met materiaal
  • inkleuren van grote vormen
diverse materialen (verf, wasco, krijt, kleurpotloden
Klei: balletje, slangetje, (mens)figuurtje maken
Lopen en rennen
  • Buiten en in speellokaal
  • Tikspelen
  • Achteruit lopen ‘oefenen’
Vangen, gooien en schoppen:
  • grote bal vangen en bovenhands gooien (1 been naar voren)
  • rollen met grote bal
  • gericht schoppen van een bal
 Rollen:  op diverse wijzen
 Huppelen en hinkelen aanbieden
Springen:
  • met aanloop springen
  • van kast springen, op twee voeten landen
  • over een touw springen
Evenwicht: Over brede kant bank lopen en over hindernis van 10 cm stappen
Klimactiviteiten aanbieden
Sociaal emotionele ontwikkeling:
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie  
      
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende              
stimuleren:
Spel:
  • parallelspel
  • symbolisch spel spelen met opeenvolgende scènes
  • Kortdurend samen spelen met andere kinderen
  • Regisseren en spelen wisselen elkaar af
  • Aan afspraken houden, aan eenvoudige spelregels houden
  • meedoen aan groepsactiviteiten: kringspel, bewegingsspelletjes, liedjes
  • ‘breed’ spelen; in / met diverse hoeken en materialen
  • goed leren omgaan met spelmateriaal en het materiaal gebruiken waarvoor het bedoeld is
 
 
 Zelf:
  • Uitbeelden van gevoelens: blij boos bang verdrietig
  • Voor jezelf opkomen, je verdedigen
 
Sociale ontwikkeling:
  • Inspelen op basale gevoelens van anderen
  • Materiaal delen
 Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Jas ophangen, jas aantrekken, schoenen aantrekken, zelf aan / uitkleden, eenvoudige sluitingen zelf doen
  • een bekende opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen
  • Gerichte aandacht van 10-15 minuten op de activiteit
taak afmaken en gebruikte materialen opruimen.
 
Periode 4
 
Taal: spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid
aanbieden:
Luisteren: rol van luisteraar en spreker vervullen.
 
Spreken:
  • Actief deelnemen aan gesprekken in kleine en grote groepen.
  • Initiatieven nemen tijdens gesprekken.
  • Waarderen elkaars ideeën en vallen elkaar niet in de rede.
  • Toename van aantal grammaticaal juiste zinnen
 
Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag
Voorbewerken, Uitleggen / semantiseren en later
Consolideren en Controleren
 
Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen:
elleboog     pols     vingers     knie     enkel     tenen
 
 Activiteiten fonemisch bewustzijn:
  • Woorden in klankgroepen verdelen zoals bij kin-der-wa-gen
  • eenvoudige rijmzinnetjes afmaken d.m.v. liedjes en opzegversjes
  • Woorden in zinnen onderscheiden, d.m.v. zin nazeggen (vier woorden), eerste en/of laatste woord benoemen
  • Woordobjectivatie: Onderscheid maken tussen de vorm en betekenis van woorden (welk woord is langer: puntenslijper – gum).
  
Interactief voorlezen: 3 x per week aandacht besteden aan:
  • kinderen vertellen een voorgelezen verhaal na, met steun van illustraties
  • oorzaak-gevolg (bv. hoe kwam het dat Kim uitgleed? De vloer was glad)
  • diverse tekstsoorten aanbieden (ook versjes, informatieve boeken, etc)
 
Schrijfontwikkeling
  • Bewustmaken dat geschreven woorden kunnen worden uitgesproken (modelen, meewijzen).
  • stimuleren: met krabbels woorden ‘schrijven’
  • verschil onderkennen tussen tekenen en schrijven.
 
Classificeren: één kenmerk, functie-eigenschap, bijvoorbeeld je 
                         kunt het eten, je kunt ermee knutselen
 
Visuele waarneming:
  • Bij plaatjes van concrete voorwerpen ontbrekend detail opsporen
  • Kleur aanwijzen, benoemen:   Bruin, groen
  • Andere kleuren herhalen
  • Gedetailleerde puzzel maken
Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkund
Tellen en getalbegrip:
  • Tellen: resultatief en synchroon 1-5 met aanwijzen
  • Welk getal komt na… (tot 10, mag ook over 10tal heen)
  • Telrij tot 10
  • Aanbieden: terugtellen (vanaf 5 tot 0)
  • Aandacht voor getalsymbolen
  • Aandacht voor rangtelwoorden
  • Aandacht voor dobbelsteenstructuur
 
Meten: Lengte, gewicht, inhoud en hoeveelheid. Daarbij beschrijvingen / begrippen gebruiken als
  • Meer    –  minder,  evenveel, er nog bij, net zoveel
  • Groter  –  kleiner,  hetzelfde/dezelfde
  • Langer –  korter
  • Hoger  –  lager
  • Dikker  – dunner
  • Zwaarder  -   lichter
(drie – en tweedimensionaal (passief)
Activiteiten aanbieden met het afpassend meten met maateenheden als Stap,  Voet en  Meterstrook (ook periode 5)
Spelen en experimenteren met inhouden, zowel in de betekenis van wat erin zit als wat erin kan. Op verschillende manieren vergelijken: op het oog, via in elkaar overgieten, en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel. (ook periode 5).
Meetkunde De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen:
positie: boven, onder, voorste, achterste,  dichterbij dan, tegenover
richting: recht, schuin
Ze in aanraking laten komen met bekende meetkundige figuren: Cirkel,         Vierkant, Halve vierkant, Rechthoek, Halve rechthoek, Driehoek, Cirkel, vierkant, rechthoek en driehoek kunnen benoemen.
Spelen met mozaïek blokjes, stokjes+ ringen, vormenspellen
  • Eenvoudige bouwwerken van een voorbeeld nabouwen (bv. plaat uit een boek of tekening)
  • Bouwen met constructiemateriaal als lego, blokken, rails, kapla, knex  etc.
  • Bouwen met klein bouwmateriaal
  • construeren met ‘vrij’ materiaal, met blokken,  ander meetkundig constructiemateriaal, en met papier.
 
Tijd: Begrippen:  ochtend middag avond
  • Betekenisvolle situaties met de klok: Als de wijzer boven staat stoppen we, etc. Laten zien dat de tijd doortikt (secondewijzer, grote wijzer, etc)
 Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen’ (ook periode 5).
Fijne en grove  motoriek
Knippen en plakken:
  • Start met golvende en kartellijnen, hoeken (ook periode 5,6,7)
  • Globale figuren uitknippen
  • Zelf papier, dozen, rollen beplakken
Vouwen: Meerdere vouwen combineren; complete vouwsels maken (ook blok 5,6,7)
Kralen: kralenplank, kralen rijgen
Tekenen/schilderen:
  • Eenvoudige herkenbare figuren: huisje, bootje
  • Begin  van tekenen van enkele details
  • Drie vingers gebruiken bij  opsturen van potlood, nog geen juiste pengreep
  • Met diverse materialen tekenen en schilderen
Nauwkeurig plaatsen: Klein formaat bouw- en constructiemateriaal, mozaïekfiguren, puzzels
Lopen: goed rennen in eigen en wisselend tempo
Gooien en vangen:
  • Grote bal vangen en bovenhands gooien (1 been naar voren)
  • Kleine bal onderhands gooien
Rollen: Met een hand, ongericht
Hinkelen van paar sprongen en huppelen aanbieden
Springen: met 2 voeten afzetten, springen en landen
Evenwicht: (ook periode 5,6,7)
  • Op één been staan, zowel links als rechts
  • Over smalle kant van de balk lopen
Sociaal emotionele ontwikkeling
 
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie 
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:
Spel:  (ook periode 5)
  • Spel spelen met opeenvolgende scènes, rollenspel, fantasiespel, doen alsof-spel
  • Van parallelspel naar meer samenspel
  • Kortdurend samen spelen met andere kinderen
  • Regisseren en spelen wisselen elkaar af
  • Aan afspraken houden, aan eenvoudige spelregels houden
  • Verkrijgen van inzicht in spelletjes (gezelschapsspelen), regels daarbij;
  • ‘breed’ spelen; in / met diverse hoeken en materialen
  • Spelen met wereldspelmateriaal en in themahoeken
 
Zelf:
  • Voor jezelf opkomen, je verdedigen
  • Uitbeelden van gevoelens: blij boos bang verdrietig
 
Sociale ontwikkeling:
  • Inspelen op basale gevoelens van anderen, anderen al wat kunnen helpen
  • Namen van de meeste kinderen kennen
Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Zelf aan / uitkleden, eenvoudige sluitingen zelf doen
  • Een bekende opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen;
  • Taak stellen, afmaken en gebruikte materialen opruimen (ook volgende periodes)
  • Gerichte aandacht van 10-15 minuten op de activiteit
Hulp kunnen vragen
Dagelijks aangeboden doelen (in allerlei situaties):
Taal:
  • (correct) spreken bevorderen d.m.v. gesprekssituaties stimuleren
  • Vertrouwd maken met lezen d.m.v. recreatief  voorlezen (bv. bij het naar huis gaan, fruit eten)
Rekenen:
  • Spontane telsituaties benutten
  • Tijdsbesef bevorderen d.m.v. dagritme in de klas doornemen en visualiseren
 
Periode 5
Taal: spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid
Luisteren: luisteren naar leerkracht en medeleerling (10 min)
Spreken:

- Moeilijker meerlettergrepig woord nazeggen        (brand-weer-man), articulatie
- Spreken in korte, veelal grammaticaal juiste zinnen 

Woordenschat:
  • Binnen thema 2 woorden per dag aanbieden, uitleggen / semantiseren en later consolideren en controleren
  • Modelen: strategieën voor het afleiden van woordbetekenissen.
  • Modelen: strategieën voor het onthouden van een woord
 
Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen
tong                 hals               achterhoofd        lippen              wimpers           neusgat          tanden              wangen          mondhoek       wenkbrauwen                          voorhoofd
Map Fonemisch Bewustzijn: (3 x per week een kwartier) combinatie van onderstaande vaardigheden: (ook periode 6)
  • Luisteren
  • Zinnen en woorden
  • Rijmen
  • Klankgroepen   
Overig Fonemisch bewustzijn:
  • Eindrijm (Jan-pan) en beginrijm (Kees en Kim beginnen met een k) aanbieden,
  • Rijmzinnetjes van bekende versjes afmaken
 
Interactief voorlezen: 3 x per week 15 minuten:
een zelfde ‘boek van de week’ de derde keer doen: kinderen vertellen het boek na, eventueel zonder steun van illustraties
Geheugen en denken:
  • 3 tot 4 getoonde voorwerpen onthouden en benoemen
(ook periode 6)
  • Bekende liedjes kunnen zingen
  • Zin nazeggen (vijf woorden, geheugen!)
 
Kimspel:
-10 sec kijken naar 5 voorwerpen en daarna 1 weghalen
-Middel-doel; wat heb je nodig om…? Te knippen? ( schaar)
Classificeren en seriëren:
  • Classificeren op één kenmerk, materiaalsoort (bv. kun je eten, het is van hout etc).
  • Classificeren op overeenkomsten en verschillen
  • Seriëren: Op kleur ordenen (reeksen van kralen)
 
Visuele waarneming:
  • Op plaatjes kleine verschillen zien
  • Kleur aanwijzen, benoemen: Grijs,roze
        Waar nodig herhalen: rood, geel, blauw, groen, zwart, wit
Schrijven: Eigen naam schrijven

Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde

Tellen en getalbegrip:           
  • Aanrakend tellen tot 10 en een begin met het herkennen van enkele getalsymbolen (ook periode 6)
  • In betekenisvolle contextsituaties  aantallen tot 10
      Ordenen, Redelijk schatten en Vergelijken op meer, minder, evenveel (ook volgende periodes)
  • Buurgetallen tot 10 (ook periode 6)
  • Rangtelwoorden (ook periode 7)
  • Terugtellen van 6-1
 
Meten: Lengte, gewicht, inhoud en hoeveelheid. Daarbij beschrijvingen / begrippen gebruiken als
  • Dezelfde, hetzelfde, evenveel
  • Minst    –  meest
  • Grootst  –  kleinst
  • Langst –  kortst
  • Hoogst  –  laagst
  • Dikst  – dunst
  • Zwaarst  -   lichtst
  • Voorste - achterste
(drie- en tweedimensionaal (passief)
 
Activiteiten aanbieden met het afpassend meten met maateenheden als  Stap,   Voet en   Meterstrook
 
Spelen en experimenteren met inhouden, zowel in de betekenis van wat erin zit als wat erin kan. Op verschillende manieren vergelijken: op het oog, via in elkaar overgieten, en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel.
Meetkunde: De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende oriënteringsbegrippen:
positie         richting                           afstand
boven          omhoog   vooruit           dichtbij
beneden      omlaag    achteruit        veraf
Vorm aanwijzen, benoemen
Driehoek, Vierkant, halve vierkant, Rechthoek, halve rechthoek
 
  • Bouwwerken van een bouwtekening / voorbeeld nabouwen
  • Bouwen met constructiemateriaal als lego, blokken, rails, kapla, knex  etc.
  • Werken met eenvoudige plattegronden
  • Mozaïe figuren leggen en naleggen
  • Werken met klei, zand, water
  • Overige vormenspelletjes / materialen aanbieden
Tijd: Aandacht blijven besteden aan dagindeling, dagen van de week, etc.
Geld: Ervaring Fijne en grove  motoriek (ook periode 6)
       Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende   
       stimuleren:
Knippen en plakken:
  • Golvende  en kartellijnen, hoeken (ook periode,6,7)
  • Vierkant en smalle reep uitknippen
  • Zelf papier, dozen, rollen beplakken, hier iets van maken (bv. auto van dozen, papier etc.)
Vouwen: Meerdere vouwen combineren; complete vouwsels maken (ook periode 6,7)
Kralen: kralenplank, kleine kralen rijgen
Nauwkeurig plaatsen: Klein formaat bouw- en constructiemateriaal, mozaïekfiguren, puzzels
Tekenen/schilderen:
  • Mensen in elkaars nabijheid tekenen
  • Zelfportret met emotie tekenen
  • Drie vingers gebruiken bij  opsturen van potlood, nog 
geen juiste pengreep, dit wel stimuleren
  • Complexere vormen tekenen en schilderen
  • Tekeningen benoemen
opdoen met begrippen ‘geld, betalen’.
Lopen:
  • goed rennen in eigen en wisselend tempo
  • Over een streep lopen
  • Bij rennen snel kunnen stoppen
  • Bij tikspel gunstige positie kiezen, ruimte benutten
Hinkelen en huppelen
Springen: met 2 voeten afzetten, springen en landen
Rollen: koprol (ook volgende periodes)
Gooien en vangen:
  • Grote stuiterende bal vangen en bovenhands gooien (1 been naar voren)
  • Kleine bal onderhands gooien
Evenwicht: (ook periode 6,7)
  • 5 seconden op één been staan
  • Over smalle kant van de balk lopen
Sociaal emotionele ontwikkeling
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, 
werkhouding en concentratie; Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:
Spel:
  • Spel spelen met opeenvolgende scènes, rollenspel, fantasiespel, doen alsof-spel
  • Samen spelen en samen werken met andere kinderen, eigen rol in relatie tot anderen verwoorden
  • Aan afspraken houden, aan eenvoudige spelregels houden, ontwikkelen van bereidheid conflicten op te lossen
  • Inzicht in spelletjes (gezelschapsspelen), regels daarbij;
  • Van parallelspel naar meer samenspel
  • breed’ spelen; in / met diverse hoeken en materialen
  • Spelen met wereldspelmateriaal en in themahoeken
 
Zelf:
  • Onderscheid werkelijkheid - fantasie
  • Uiten van gevoelens, spontaan vertellen in de kring, spontaan spreken in het spel tegen anderen
  • Eigen gevoelens verwoorden,  zeggen iets wel / niet te willen
 
Sociale ontwikkeling:
  • Inspelen op basale gevoelens van anderen, anderen wat kunnen helpen
Namen van de kinderen kennen
Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Omgaan met uitgestelde aandacht
  • Een opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen; Taak stellen, afmaken en gebruikte materialen opruimen
  • Gerichte aandacht van 10-15 minuten op de activiteit
Dagelijks aangeboden doelen (in allerlei situaties):
Taal:
  • (correct) spreken bevorderen d.m.v. gesprekssituaties stimuleren
  • Vertrouwd maken met lezen d.m.v.recreatief  voorlezen (bv. bij het naar huis gaan, fruit eten)
Rekenen:
  • Spontane telsituaties benutten
  • Tijdsbesef bevorderen d.m.v. dagritme in de klas doornemen en visualiseren