Groep 1/2
Petra Biesterbos, Marjan Edelijn

Tussendoelen en leerlijnen


Op deze pagina kunt u alles lezen over de doelen waar we in groep 2 aan werken gedurende het schooljaar.
We werken in de kleutergroepen met Tussendoelen en Leerlijnen, hier zitten, verdeeld over vier leerlijnen, alle doelen die de kleuters aangeboden moeten krijgen in verwerkt.
Groep 1 en groep 2 zijn in totaal verdeeld in tien periodes; periode 1 t/m 5 horen bij groep 1, periode 6 t/m 10 bij groep 2. In grote lijnen zijn die periodes als volgt verdeeld; van zomer- tot herfstvakantie, van herfst- tot kerstvakantie, van kerst- tot voorjaarsvakantie, van voorjaars- tot meivakantie, van mei- tot zomervakantie. Niet ieder kind zit altijd met alles op hetzelfde niveau; het kan best zijn dat een kleuter binnen bijvoorbeeld de leerlijn Rekenen al heel ver is maar nog moeite heeft met Taal, Motoriek of Sociaal-emotionele vaardigheden. De kleuters zijn op hun eigen niveau bezig en krijgen indien nodig extra hulp of oefening, of extra aanbod bij een ontwikkelingsvoorsprong binnen een bepaalde leerlijn.

Doelen groep 2, periode 6

Taal: spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid

Luisteren:  Kritisch luisteren (opmerken van absurditeiten)
 
Spreken:  Informeel aandacht besteden aan:
  • Zin correct nazeggen (6 woorden)
  • Afspreken iets te doen
  • Aan ander vragen iets te doen
  • Boodschapje doen
  • Zich excuseren
  • Taal gebruiken om te praten over wat is gebeurd (met gebruik van verleden tijd) of zal gebeuren (met gebruik van toekomende tijd)
 
Woordenschat: 2 woorden per dag  aanbieden, uitleggen en later consolideren en controleren
 
Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen:
Been, onderbeen, bovenbeen, knie, voet, teen, grote teen, kleine teen, voetzool, hak
 
Map Fonemisch Bewustzijn: combinatie van onderstaande vaardigheden (3 x per week een kwartier)
  • Luisteren
  • Zinnen en woorden
  • Rijmen
  • Klankgroepen   
 
Overig Fonemisch bewustzijn:
  • Luisteren: Trefwoord herkennen in reeks woorden
  • Rijmwoorden/plaatjes bij elkaar zoeken
  • Woorden bedenken die beginnen met de letter…….
  • Beginnen met analyse/synthese: woorddeel verdelen en samenvoegen (zak-doek - zakdoek)
  • Letters aanbieden, lettermuur
 
Interactief voorlezen 3 x per week 15 minuten:
  • Aandacht voor het doen van voorspellingen over de tekst, vragen stellen n.a.v. verhaal etc.
  • Redeneren over het verhaal, los van hier en nu, eerst, dan
  • Aanbieden van informatieve teksten
  • Laten ontdekken dat geschreven taal anders is dan mondelinge taal
 
Geheugen en denken:
  • Drie tot vier getoonde voorwerpen onthouden
 
Classificeren en seriëren:
  • Seriëren: Op kleur en/of op vorm
  • Classificeren: 2 kenmerken:  kleur en vorm
 
Visuele waarneming:
  • Licht / donker nuances in kleur benoemen (bv. lichtblauw, donkerblauw etc.)
 

Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde

Getallenlijn 1 t/m 20 in de klas hangen

Tellen en getalbegrip:
  • Aanrakend en synchroon tellen tot 10 en stimuleren herkennen van enkele getalsymbolen
  • Buurgetallen tot 10
  • In betekenisvolle contextsituaties aantallen tot 10 laten Ordenen, Redelijk schatten en Vergelijken op meer, minder, evenveel (ook volgende periodes)
  • Telrij opzeggen tot 20 (ook volgende periodes)
  • Aandacht voor rangtelwoorden (eerste, tweede etc.)
  • Aanbieden (ook periode 7): eenvoudige erbij- en erafsituaties tot tenminste 10, in de vorm van bedekspelletjes , met materialen (context en objectgebonden) e.d.
 
Meten: Lengte, gewicht, inhoud en hoeveelheid. Daarbij beschrijvingen/begrippen gebruiken tweedimensionaal (actief):
  • Veel/weinig
  • Meer–meest
  • Minder–minst
  • Evenveel
 
Activiteiten aanbieden met het afpassend meten met maateenheden als stap, voet, hand, lengte van je lichaam.
 
Spelen en experimenteren met inhouden, zowel in de betekenis van wat erin zit als wat erin kan. Op verschillende manieren vergelijken: op het oog, via in elkaar overgieten, en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel (ook periode 7)
 
Meetkunde:
  • De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende oriënteringsbegrippen:
               Positie: naast, bij, tegenaan
               Richting: omheen, rondom
               Afstand: even ver
               Idem in het platte vlak
  • Accent op schaduwen van eigen lichaam (buiten) en objecten
  • Werken met eenvoudige plattegronden
 
Herhalen:  Blok, Bal, Bol,  Kubus
Nieuw: Vorm aanwijzen, benoemen: cilinder (= wc rol, busje koffiepads etc.)
 
  • Bouwwerken van een bouwtekening/voorbeeld nabouwen
  • Bouwen met constructiemateriaal als lego, blokken, rails, kapla, knex  etc.
  • Werken met eenvoudige plattegronden
  • Mozaïekfiguren leggen en naleggen
  • Werken met klei, zand, water
  • Overige vormenspelletjes/materialen aanbieden
 
Tijd: begrippen vandaag, morgen, gisteren
 
Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen, euro’.

Fijne en grove motoriek  (ook periode 7)

Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:   
     
Knippen en plakken:
  • Golvende en kartellijnen, hoeken
  • Vierkant en smalle reep uitknippen
  • Over een rechte lijn knippen
  • Zelf papier, dozen, rollen beplakken, hier iets van maken (bv. auto van dozen, papier etc.)
 
Vouwen: Meerdere vouwen combineren; complete vouwsels maken
 
Kralen: kralenplank, kleine kralen rijgen
 
Nauwkeurig plaatsen: Klein formaat bouw- en constructiemateriaal, mozaïekfiguren, puzzels
 
 
Tekenen/schilderen:
  • Mensen in elkaars nabijheid tekenen
  • Zelfportret met emotie tekenen
  • Drie vingers gebruiken bij opsturen van potlood, nog geen juiste pengreep, dit wel stimuleren
  • Complexere vormen tekenen en schilderen
  • Tekeningen benoemen
 
Lopen:
  • Goed rennen in eigen en wisselend tempo
  • Over een streep lopen
  • Bij rennen snel kunnen stoppen
  • Bij tikspel gunstige positie kiezen, ruimte benutten
 
Hinkelen en huppelen
 
Springen: met 2 voeten afzetten, springen en landen
 
Rollen: koprol
 
Gooien en vangen:
  • Grote stuiterende bal vangen en bovenhands gooien (1 been naar voren)
  • Kleine bal onderhands gooien
 
Evenwicht:
  • 5 seconden op één been staan
  • Over smalle kant van de balk lopen

Sociaal emotionele ontwikkeling:

Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie 
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:          
                 
Spel:                      
  • Spel spelen met opeenvolgende scènes, rollenspel, fantasiespel, doen alsof-spel
  • Samenspelen en samenwerken met andere kinderen, eigen rol in relatie tot anderen verwoorden
  • Aan afspraken houden, aan eenvoudige spelregels houden
  • Inzicht in spelletjes (gezelschapsspelen), regels daarbij;
  • Goed omgaan met spelmateriaal en het materiaal gebruiken waarvoor het bedoeld is
  • Onderscheid werkelijkheid–fantasie (ook periode 7)
  • ‘Breed’ spelen; in/met diverse hoeken en materialen
  • Spelen met wereldspelmateriaal en in themahoeken
  • Spontaan spreken in het spel tegen anderen
  • Doorzettingsvermogen bij spel
 
Zelf:
  • Uiten van gevoelens
  • Spontaan vertellen in de kring
  • Even kunnen wachten
 
Sociale ontwikkeling:
  • Aandacht van de leerkracht delen met anderen in de groep
  • Openstaan voor de bedoelingen, gedachten, gevoelens van de leerkracht
  • Andere kinderen contact zoeken
  • Anderen willen helpen
  • Eerste begin ontwikkeling bereidheid conflicten oplossen
 
Zelfstandigheid en taakbesef, wekhouding en concentratie:
  • Kledingstukken op juiste wijze aandoen zonder verwisselingen
  • Knopen open en dichtdoen
  • Omgaan met uitgestelde aandacht
  • Een opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen;
  • Taak stellen, afmaken en gebruikte materialen opruimen
Gerichte aandacht van 10-15 minuten op de activiteit

Dagelijks aangeboden doelen (in allerlei situaties): 
                                                                         
Taal:
  • (Correct) spreken bevorderen d.m.v. gesprekssituaties stimuleren
  • Vertrouwd maken met lezen d.m.v.recreatief voorlezen (bv. bij het naar huis gaan, fruit eten)
                                                                   
Rekenen:
  • Spontane telsituaties benutten
Tijdsbesef bevorderen d.m.v. dagritme in de klas doornemen en visualiseren

Doelen groep 2, periode 7

Taal: spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid

Luisteren:
  • Naar leerkracht en medeleerlingen (10-15 minuten)
  • Meervoudige instructies: bv. eerst ruim je op, dan kom je in de kring zitten
  • Trefwoord herkennen in twee zinnen
   
Spreken:
  • Gebeurtenis vertellen, duidelijk maken aan anderen
  • De juiste lidwoorden en verkleinwoorden gebruiken
  • Zin nazeggen (7 woorden)
 
Woordenschat: 2 woorden per dag aanbieden, uitleggen en later consolideren en controleren
 
Lichaamsdelen: Navel, buik, rug, onderrug, borst, oksel
 
Map Fonemisch Bewustzijn 3 x per week kwartier
  • Onderhouden: luisteren, zinnen en woorden, rijmen, klankgroepen
  • Nieuw: isoleren van klanken, letterkennis
 
Overig Fonemisch bewustzijn:
  • Letters aanbieden, lettermuur
  • Analyse: kleine verschillen horen tussen 2 woorden (bol-bal)
  • Analyse: bij twee woorden de eerste/laatste noemen
  • Analyse/synthese: lettergreep verdelen en samenvoegen (vo-gel)
  • Eigen naam lezen
 
Interactief voorlezen: 3 x per week 15 minuten
  • Boek van de week 3 x met verdieping van de vraagstelling
  • In staat zijn conclusies te trekken n.a.v. een (voorgelezen) verhaal): aandacht  besteden aan oorzaak–gevolg
  • Voorspellen waar het over gaat a.d.hand van kaft en plaatjes
  • Voorgelezen verhaal navertellen m.b.v. plaatjes
     
Schrijven: stimuleren van ‘schrijven’ van reeksen letterachtige vormen; gebruik van zowel letters, letterachtige tekens, als cijfers.
 
Classificeren en seriëren:
  • Classificeren: één kenmerk, soortnaam, bv. boerderijdieren, dierentuindieren
  • Seriëren: Op kleurnuance ordenen (van licht naar donker en omgekeerd) 
Visuele waarneming:
  • Herhalen: bruin, rose, grijs; Nieuw: paars
  • Verschillen in plaatjes onderscheiden en onthouden
  • Vormenspelletjes

Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde
Getallenlijn met cijfers 1 t/m 20 in de klas hangen 

Tellen en getalbegrip:
  • Tellen: Aanwijzend en synchroon tellen tot 10  en herkennen van getalsymbolen 1 t/m 5
  • Aandacht voor 5 en 10 structuur
  • Telrij opzeggen tot 20 (ook volgende periodes)
  • Resultatief tellen 1–8 (kind zegt: daar liggen 8 kastanjes)
  • In betekenisvolle contextsituaties  aantallen tot 10, ordenen, redelijk schatten en vergelijken op meer, minder, evenveel
  • Eenvoudige erbij- en erafsituaties tot tenminste 10, in de vorm van bedekspelletjes, met  materialen (context en objectgebonden) e.d.
  • Doortellen in de telrij tot 10
 
Meten:

Gericht besef hoeveelheid en grootte  tweedimensionaal (actief):
even groot/klein, groter, kleiner
even lang/kort, langer, korter
even hoog/laag, hoger, lager
even dik/dun, dikker, dunner
even zwaar/licht, zwaarder, lichter
 
Activiteiten aanbieden met het afpassend meten met maateenheden als stap, voet, hand, lengte van je lichaam.
 
Spelen en experimenteren met inhouden, zowel in de betekenis van wat erin zit als wat erin kan. Op verschillende manieren vergelijken: op het oog, via in elkaar overgieten, en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel
 

Meetkunde:
  • De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen:
        positie: vooraan, achteraan, in het midden, van bovenaf
        richting: tussendoor
               Idem in het platte vlak
 
Werken met vierkant, rechthoek, halve rechthoek, cirkel, driehoek
 
  • Bouwwerken van een bouwtekening/voorbeeld nabouwen
  • Bouwen met constructiemateriaal als lego, blokken, rails, kapla, knex  etc.
  • Werken met eenvoudige plattegronden
  • Mozaïekfiguren leggen en naleggen
  • Werken met klei, zand, water
  • Overige vormenspelletjes/materialen aanbieden
 
Tijd:   
  • Aandacht voor oudjaar-nieuwjaar
  • Dagen van de week in de goede volgorde benoemen
  • Weten welke dag het vandaag is
 
Geld:
  • Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen, euro, munt, papiergeld’.

Fijne en grove motoriek

Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:   
      
Knippen en plakken:
  • Golvende en kartellijnen, hoeken
  • Vierkant en smalle reep uitknippen
  • Over een rechte lijn knippen
  • Zelf papier, dozen, rollen beplakken, hier iets van maken (bv. auto van dozen, papier etc.)
 
Vouwen: Meerdere vouwen combineren; complete vouwsels maken
 
Kralen: kralenplank, kleine kralen rijgen
 
Nauwkeurig plaatsen: Klein formaat bouw- en constructiemateriaal, mozaïekfiguren, puzzels
 
Tekenen/schilderen:
  • Mensen in elkaars nabijheid tekenen
  • Zelfportret met emotie tekenen
  • Drie vingers gebruiken bij  opsturen van potlood, nog geen juiste pengreep, dit wel stimuleren
  • Complexere vormen tekenen en schilderen
  • Tekeningen benoemen
 
Lopen:
  • Goed rennen in eigen en wisselend tempo
  • Over een streep lopen
  • Bij rennen snel kunnen stoppen
  • Bij tikspel gunstige positie kiezen, ruimte benutten
 
Hinkelen: enkele sprongen
 
Springen:
met 2 voeten afzetten, springen en landen 

Rollen: koprol (ook volgende periodes)
 
Gooien en vangen:
  • Grote stuiterende bal vangen en bovenhands gooien (1 been naar voren)
  • Vangen van een met een boog aangegooide bal
  • Kleine bal onderhands gooien
 
Evenwicht:
  • 5 seconden op één been staan (links en rechts)
  • Over smalle kant van de balk lopen        

Sociaal emotionele ontwikkeling

Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie 
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:            
                  
Spel:
  • Spel spelen met opeenvolgende scènes, rollenspel
  • Samenspelen en samenwerken met andere kinderen, eigen rol in relatie tot anderen verwoorden
  • Spelen in groepjes van 2-6 kinderen
  • Aan afspraken houden, aan eenvoudige spelregels houden, bereidheid conflicten op te lossen
  • Inzicht in spelletjes (gezelschapsspelen), regels daarbij;
  • Onderscheid werkelijkheid-fantasie
  • ‘Breed’ spelen; in/met diverse hoeken en materialen
  • Spelen met wereldspelmateriaal en in themahoeken
  • Goed omgaan met spelmateriaal en het materiaal gebruiken waarvoor het bedoeld is
  • Doorzettingsvermogen bij spel
  • Emoties: trots,  schuld, schaamte, verlegenheid
  • Uiten van gevoelens, spontaan vertellen in de kring en tegen de leerkracht
 
Sociaal:
  • Anderen willen helpen
 
Zelfstandigheid en taakbesef, wekhouding en concentratie:
  • Omgaan met uitgestelde aandacht
  • Aangeven waardoor iets gelukt/niet gelukt is
  • Een complexere opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen; Taak stellen, afmaken en gebruikte materialen opruimen (ook volgende periodes)
  • Kleine probleemsituaties herkennen en oplossen
Gerichte aandacht van 15 minuten op de activiteit

Dagelijks aangeboden doelen (in allerlei situaties):   
                                                                       
Taal:
  • (Correct) spreken bevorderen d.m.v. gesprekssituaties stimuleren
  • Vertrouwd maken met lezen d.m.v.recreatief  voorlezen (bv. bij het naar huis gaan, fruit eten)
 
Rekenen:                                                                                                                                                                                          
  • Spontane telsituaties benutten
  • Tijdsbesef bevorderen d.m.v. dagritme in de klas doornemen en visualiseren
 

Doelen groep 2, periode 8
 
Taal: spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid

Luisteren:
  • Luisteren naar leerkracht en medeleerlingen (15 minuten) 

Spreken:
  • Woorden met moeilijke klankcombinaties: woord nazeggen (bv. kurkentrekker)
  • Vragen stellen om iets te weten te komen (Waarom? Hoe komt dat?)
  • Van de bekendste zelfstandige naamwoorden de meervoudsvormen kennen 

Woordenschat: 2 woorden per dag Aanbieden, Uitleggen, later consolideren en controleren

Lichaamsdelen: aanbieden welke de kinderen nog niet zo goed kennen uit de voorgaande perioden, onderhouden

Map Fonemisch Bewustzijn: 3 x per week kwartier:
  • Isoleren van klanken
  • Nieuw: synthese van klanken
  • Letterkennis

Overig Fonemisch bewustzijn:
  • Letters aanbieden, lettermuur, aandacht voor klank-tekenkoppeling
  • Aandacht voor herhalen eerdere letters
  • Drie/vier getoonde voorwerpen onthouden
  • Drie woorden onthouden, ongeacht volgorde
  • Bij 3 namen/woorden laatste noemen
  • Analyse: van 3 woorden 2 rijmende herkennen
  • Analyse/synthese: woorden in klankgroepen verdelen zoals bij kin-der-wa-gen, ei-ken-boom en samenvoegen
  • Synthese: aa-p; koppelen aan plaatje/voorwerp;
  • Woordobjectivatie: vorm en betekenis van woorden: bv. banaan is een korter woord dan sinaasappel. (ook in periode 9)
  • Beginrijm en eindrijm
  • Fonemen als de kleinste klankeenheden in woorden laten onderscheiden zoals bij p-e-n

Interactief voorlezen: 3 x per week 15 minuten
  • Voorspellingen doen
  • Deze checken: Klopte het? Zo niet, waarom niet?
  • Wat weten ze er al van?
  • Denkvragen stellen
  • Conclusies laten trekken
  • Voorgelezen verhaal naspelen terwijl de leerkracht vertelt.
  • Voorgelezen verhaal navertellen, aanvankelijk met steun van illustraties. 

Schrijven:
  • Werken in leeshoek, schrijfhoek: zelf boeken laten ‘lezen’, teksten, schrijf- en stempelmateriaal, letters, zelf teksten laten (na)maken etc.
  • Woorden als globale eenheden lezen en schrijven. Bijv.: de eigen naam en namen van voor het kind belangrijke personen/dingen, logo’s en merknamen (ook periode 9, 10)

Classificeren en seriëren
  • Werken met eenvoudige matrix

Visuele waarneming:
  • Verschillen tussen plaatjes met abstracte voorstelling onderscheiden
  • Eenvoudige puzzels met geometrische vormen maken
  • Veel met vormen werken, in vrij spel en begeleide kleine kring


Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde

Getallenlijn met cijfers 1 t/m 20 in de klas hangen 

Tellen en getalbegrip:

  • In het hoofd tellen tot 10
  • Telrij opzeggen tot 20 (ook volgende periodes)
  • Het herkennen van steeds meer getalsymbolen
  • Erbij en eraf situaties tot 10
  • Aantallen objecten tot 10 ordenen, vergelijken, schatten en tellen  zonder context
  • Aantallen tot 10 telbaar representeren met bijvoorbeeld vingers, streepjes, en stippen
  • Terugtellen getallen vanaf 10 (ook volgende periodes)

Meten:
Gericht besef hoeveelheid en grootte tweedimensionaal, actief:
  • grootst/kleinst,
  • langst/kortst,
  • hoogst/laagst,
  • dikst/dunst,
  • zwaarst/lichtst

Activiteiten aanbieden met het afpassend meten met maateenheden als stap, voet, hand, lengte van je lichaam, meetlat of liniaal. (ook periode 9 en 10).

Inhouden zowel in de betekenis van wat erin zit als wat erin kan op verschillende manieren vergelijken: op het oog, via in elkaar overgieten, en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel.
 
Ook vergelijken van het gewicht van verschillende objecten. Ze verkennen daarbij zowel het wegen op de hand als met een balans. (ook periode 9 en 10)
 
Meetkunde:
De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen: 
  • Richting:         op, af, langs
  • Afstand:          dichterbij, verderaf
  • Positie:            tussenin, voorin, achterin, in de hoek
Idem in het platte vak
 
Werken met vierkant, rechthoek, halve rechthoek, cirkel, driehoek, kubus, blok, halve kubus
  • Bouwwerken van een bouwtekening/voorbeeld nabouwen
  • Bouwen met constructiemateriaal als lego, blokken, rails, kapla, knex  etc.
  • Werken met eenvoudige plattegronden
  • Mozaïekfiguren leggen en naleggen
  • Werken met klei, zand, water
  • Overige vormenspelletjes/materialen aanbieden
  • Activiteiten en materialen rond symmetrie en spiegelen

Tijd
  • Namen van de seizoenen kennen + paar kenmerken
  • Dagen van de week
  • Paar namen van maanden aanbieden

Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen, euro, munt, papiergeld, duur, goedkoop’
 
Fijne en grove motoriek  (ook periode 9 en 10)
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:
 
Knippen en plakken: (ook periode 9 en 10)
  • Knippen van (voorgetekende) figuren
  • Knippen van papier, karton, stof
  • Kleine vormen knippen en plakken
  • Plakken van allerlei ruimtelijke vormen
  • Plakken combineren met andere technieken 

Vouwen: vouwen combineren met andere technieken
 
Kralen en sluitingen: (ook periode 9 en 10)
  • Kralenplank, kleine kralen rijgen
  • Fijne sluitingen open en dichtmaken

Nauwkeurig plaatsen: Klein formaat bouw- en constructiemateriaal, mozaïekfiguren, puzzels
 
Tekenen/schilderen:
  • Details tekenen
  • Gedetailleerde menstekening
  • Vierkant, cirkel en driehoek tekenen
  • Inkleuren binnen de lijnen
  • Vloeiende teken/schrijfbewegingen
  • Juiste pengreep, voorkeurshand

Lopen:
  • Ontwijken van bewegende hindernissen tijdens het hardlopen

Hinkelen en huppelen:
  • Op voorkeursbeen (ook periode 9 en 10)
  • Langere afstand hinkelen
  • Huppelen op juiste wijze

Springen:
  • Aanloop nemen en springen
  • Loopsprong: afzetten en landen met 1 voet

Rollen: koprol
 
Gooien en vangen: (ook periode 9 en 10)
  • Kleine bal omhoog gooien en vangen
  • Toegegooide bal vangen
  • Mikken op een doel
  • Bal of pittenzak naar ander kind gooien

Evenwicht:
  • Over smalle kant van de balk lopen  

Sociaal emotionele ontwikkeling:
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie 
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:
 
Spel: 
  • Zelf een spelplan maken, hierover praten met de andere kinderen
  • Zelf afspraken maken over het spel, en je daaraan houden
  • ‘Breed’ spelen; in/met diverse hoeken en materialen
  • Spelen met wereldspelmateriaal en in themahoeken
  • Doorzettingsvermogen bij spel

Zelfbeeld:
Onderscheid eerlijk – niet eerlijk kennen
 
Sociale ontwikkeling:
  • Proberen in te leven in bedoelingen van de ander en daar zelf op inspelen
  • Aan complexere regels en afspraken houden
  • Openstaan voor de gedachten en gevoelens van de ander
  • Wederkerige relaties met andere kinderen, waarbij men elkaar aanvult en kan geven en nemen
  • Gezelschapsspelletjes spelen, zich aan de regels houden (ook periode 9)

Zelfstandigheid en taakbesef, wekhouding en concentratie:
  • Een complexere opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen; Taak stellen, afmaken en gebruikte materialen opruimen
  • Gerichte aandacht van 15 minuten op de activiteit
  • Omgaan met uitgestelde aandacht
  • Kleine probleemsituaties herkennen en oplossen
  • Begroeten, afscheid nemen van anderen

Doorzettingsvermogen bij moeilijkere werkjes (ook volgende periodes)         

Doelen groep 2, periode 9
 
Taal: spreken, luisteren, woordenschat,  geletterdheid
 
Luisteren: Luisteren naar leerkracht en medeleerlingen (15 tot 20 minuten)
 
Spreken:
  • Verslag doen van bijvoorbeeld activiteit of gebeurtenis
  • Stimuleren van complexere woorden gebruiken (vogel = mus, duif, meeuw etc.)
  • Van de bekendste werkwoorden de verleden-tijdsvormen kennen (lopen-liep- gelopen)
  • Enkelvoud – meervoud kunnen toepassen (dat is 1 trein, dat zijn 2 treinen)
 
Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag aanbieden, uitleggen/semantiseren, later consolideren en controleren
 
Positie en geheugen:
  • 4 woorden onthouden, ongeacht volgorde
  • Bij 3 namen/woorden eerste noemen
 
Map Fonemisch Bewustzijn 3 x per week een kwartier.
Onderhouden:
  • Synthese van klanken
  • Analyse van klanken
  • Letterkennis
 
Overig Fonemisch bewustzijn:
  • Woorden in klankgroepen verdelen zoals bij kin-der-wa-gen 
  • In 4 woorden 3 rijmende herkennen
  • Plaatjes sorteren op gelijke eindklank
  • Spelletjes met beginrijm
  • Synthese (bv. k - a - r koppelen aan plaatje/voorwerp)
  • Laten ontdekken dat woorden zijn opgebouwd uit klanken en dat letters met die klanken corresponderen, foneem-grafeem-koppeling leggen
  • Woordobjectivatie: Onderscheid maken tussen de vorm en betekenis van woorden: bv. banaan is een korter woord dan sinaasappel.
  • Herhalen van letters
 
Interactief voorlezen: 3 keer per week
  • Beredeneren: problemen oplossen in eenvoudig verhaaltje
  • Voorgelezen verhaal navertellen zonder gebruik te hoeven maken van illustraties
  • Trefwoord in verhaal herkennen, of in reeks woorden
  • Denkvragen stellen
 
Schrijven:
  • Bewustzijn stimuleren: enige notie van klank-teken-relatie, één of enkele letters staan voor het hele woord
  • Eigen naam schrijven
  • Stimuleren tot ‘opschrijven’ van dingen: bijv.: de eigen naam en namen van voor het kind belangrijke personen/dingen, logo’s en merknamen
 
Classificeren en seriëren aanbieden op allerlei manieren en opdrachten (ook periode 10)
 
Visuele waarneming:
  • Verschillen tussen lettervormen en cijfervormen onderscheiden
  • Activiteiten met vormen aanbieden (verschillen en overeenkomsten zien)
  • Speels stimuleren: op tekstkenmerken gaan letten; herkennen van letters, woorden, soms woorden benoemen (namen bijvoorbeeld)
 

Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde

Getallenlijn met cijfers 1 t/m 20 in de klas hangen
 
Tellen en getalbegrip Aanbieden: (ook periode 10)
  • Telrij opzeggen tot 20
  • Tellen: doortellen tussen 1 en 10
  • Terugtellen getallen tot 10
  • Getalsymbolen herkennen van 0 t/m 10
  • Aandacht voor splitsen tot 10
  • Cijfers: (symbolen) tekenen / schrijven
  • Aantallen objecten tot 10  Ordenen, Vergelijken, Schatten, Tellen.
  • Eenvoudige erbij- en erafsituaties tot tenminste 10, in de vorm van bedekspelletjes e.d.
  • Benoemde aantallen tot 10 telbaar representeren met bv. vingers, streepjes, stippen, en deze vaardigheid in toepassingssituaties van erbij en eraf benutten.
 
Meten Aanbieden:
Exact besef hoeveelheid en grootte: 2-dimensionaal (actief)
  • grootst -    kleinst
  • langst – kortst
  • hoogst – laagst
  • dikst – dunst
  • zwaarst -  lichtst
 
Activiteiten aanbieden met het afpassend meten met maateenheden als stap, voet, hand, lengte van je lichaam, zelfgekozen maten, meetlat of liniaal. (ook periode 10)
 
Inhouden zowel in de betekenis van wat erin zit als wat erin kan op verschillende manieren vergelijken: op het oog, via in elkaar overgieten, en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel.
 
Ook vergelijken van het gewicht van verschillende objecten. Ze verkennen daarbij zowel het wegen op de hand als met een balans. (ook periode 10)
 
Meetkunde aanbieden:     Oriënteringsbegrippen:
Positie:     Tegenover    Andersom    Op zijn kop    In de bocht
Richting:   Over…heen   Door de bocht
Afstand:    Dichtstbij   Verst af
 Idem in het platte vlak
 
Werken met allerlei vormen, plattegronden, schaduwen, spiegels, symmetrie en omkeringen: het zien van verschillen en overeenkomsten.
Verwoorden en tekenen wat je wel/niet kunt zien vanuit een daadwerkelijk of in gedachten genomen standpunt.
 
  • Werken en spelen met allerlei constructiemateriaal
  • Classificeren en seriëren
  • Puzzels maken
 
Tijd:
  • Ordenen van tijd: eerst-dan, bv. in verhaal of activiteit
  • Begrippen morgen, gisteren
  • Paar namen van maanden aanbieden
 
Geld:
Begrippen herkennen en gebruiken: geld, duur(st), duurder, goedkoop(st), goedkoper, euro, munten, papiergeld, meer/minder waard (ook periode 10)
 
Fijne en grove motoriek  (ook periode10)
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:
 
Knippen en plakken:
  • Knippen van (voorgetekende) figuren
  • Knippen van papier, karton, stof
  • Kleine vormen knippen en plakken
  • Plakken van allerlei ruimtelijke vormen
  • Plakken combineren met andere technieken
 
Vouwen:
  • Complexere vouwsels maken
  • Vouwen combineren met andere technieken
 
Kralen en sluitingen:
  • Kralenplank, kleine kralen rijgen
  • Fijne sluitingen open en dichtmaken
 
Nauwkeurig plaatsen: Klein formaat bouw- en constructiemateriaal, mozaïekfiguren, puzzels
 
Tekenen/schilderen:
  • Details tekenen
  • Gedetailleerde menstekening
  • Vierkant, cirkel en driehoek tekenen
  • Inkleuren binnen de lijnen
  • Vloeiende teken/schrijfbewegingen
  • Juiste pengreep, voorkeurshand
 
Lopen: Ontwijken van bewegende hindernissen tijdens het hardlopen
 
Hinkelen en huppelen:
  • Op voorkeursbeen (ook periode 9 en 10)
  • Langere afstand hinkelen
  • Huppelen op juiste wijze
 
Springen:
  • Aanloop nemen en springen
  • Loopsprong: afzetten en landen met 1 voet
 
Rollen: koprol
 
Gooien en vangen:
  • Kleine bal omhoog gooien en vangen
  • Toegegooide bal vangen
  • Mikken op een doel
  • Bal of pittenzak naar ander kind gooien
     
Evenwicht: Over smalle kant van de balk lopen
 
Sociaal emotionele ontwikkeling:
 
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie 
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:
 
  • (ook periode 10 aanbieden)
  • Lange tijd spelthema en speelrol langer volhouden
  • Langer met anderen spelen
  • Praten over spelplan, taken, rollen verdelen
  • Zich proberen in te leven in bedoelingen van  ander en daar zelf op inspelen
  • Spelthema’s en rollen gevarieerder, omvatten situaties buiten directe dagelijkse leefwereld
  • Gezelschapsspelletjes spelen, zich aan de regels houden
 
Zelfbeeld:
  • Zelfvertrouwen in eigen kunnen
  • Kritiek op eigen gedrag of eigen prestaties begrijpen en accepteren
 
Sociale ontwikkeling:
  • Emoties van anderen kennen en interpreteren
  • Begin van kunnen verplaatsen in de ander
  • Bewondering tonen voor wat een ander kan
  • Kunnen delen, uitlenen, iets voor de ander over hebben
 
Zelfstandigheid en taakbesef, wekhouding en concentratie:
(ook periode 10)
  • Zelfstandig werken
  • Kleine problemen zelf oplossen
  • Omgaan met uitgestelde aandacht
  • Doorzettingsvermogen bij spel en werkje / taak
  • Tempo ontwikkelen
  • Gerichte aandacht van 15- 20 minuten op de activiteit
  • Vertellen over wat je gemaakt hebt of wat je al kan
  •  
Dagelijks aangeboden doelen (in allerlei situaties):
 
Taal:
  • (Correct) spreken bevorderen d.m.v. gesprekssituaties stimuleren
  • Vertrouwd maken met lezen d.m.v. recreatief  voorlezen (bv. bij het naar huis gaan, fruit eten)
 
Rekenen:
  • Spontane telsituaties benutten
  • Tijdsbesef bevorderen d.m.v. dagritme in de klas doornemen en visualiseren

 Doelen groep 2, periode 10
     
Taal:   spreken, luisteren, woordenschat,  geletterdheid

Luisteren:
  • Naar leerkracht en medeleerlingen (20 minuten)
  • Luisteren: luisteren Meervoudige instructie laten uitvoeren
  • Kritisch luisteren: trefwoord in verhaal herkennen, of in reeks woorden

Spreken:
  • Spreken: versje opzeggen of een zelfbedacht stukje tekst (bv. poppenkast)
  • Spreken: juist gebruik van eenvoudige voegwoorden en bijvoeglijke naamwoorden
  • Denken: vragen laten beantwoorden op diverse denkniveau  

Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag aanbieden, uitleggen, later consolideren en controleren
 
Positie en geheugen:
  • Plaatjes sorteren op gelijke beginklank
  • Bij 3 namen/woorden eerste/middelste noemen
  • 4 woorden onthouden, op volgorde
  • 3 tot 4 getoonde plaatjes op volgorde onthouden
  • Versje van 6 regels kennen en opzeggen/zingen

Map Fonemisch Bewustzijn 3 x per week een kwartier
  • Onderhouden: analyse van klanken
  • Letterkennis
  • Nieuw: manipuleren van klanken

Overig Fonemisch bewustzijn:
  • Zelf rijmwoord verzinnen bij gegeven woord
  • Zelf rijmwoorden verzinnen
  • Horen wat wel en niet rijmt
  • Synthese: k-a-s-t; samenvoegen van klanken tot een woord
  • Woorden bedenken die beginnen met bv. k (en opschrijven door leerkracht: zien en horen combineren)
  • Woorden bedenken die eindigen op bv. k (en opschrijven door leerkracht: zien en horen combineren)
  • Aandacht voor klanktekencombinatie (zien en horen)
  • Onderhouden aangeboden letters
  • Speels stimuleren: op weg naar ‘ontcijferend’ lezen: begin van letterkennis
  • Speels stimuleren van lezen van mk, km, mkm woordjes; tekstbegrip raakt tijdelijk meer op achtergrond

Interactief voorlezen, 3 x per week
  • Allerlei soorten teksten aanbieden, ook informatieve teksten
  • Verhaal in chronologische volgorde laten navertellen (bv. in tweetallen)
  • Beredeneren: probleem oplossen in een verhaal 

Schrijven:
  • Stimuleren van (fonetisch) schrijven
     
Classificeren en seriëren aanbieden op allerlei manieren en opdrachten
 
Visuele waarneming:
  • Kleine verschillen kunnen zien, dezelfde kunnen zien
  • Hetzelfde woord / letter in een reeks woorden/ blad met letters kunnen zien
  • Activiteiten met vormen aanbieden, ook in het platte vlak
  • Ingewikkelde puzzels met geometrische vormen maken
  • Kimspel: uit 3 letters: welke is er weg?

Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde
Getallenlijn met cijfers 1 t/m 20 in de klas hangen
Tellen en getalbegrip:

  • Telrij opzeggen tot 20
  • Getalsymbolen herkennen van 0 t/m 10
  • Getalvolgorde tot 10 herkennen en leggen
  • Getalsymbool en hoeveelheid koppelen tot 10
  • Verder tellen vanaf bepaald getal tot 20
  • Terug tellen vanaf 10
  • Aandacht voor splitsen tot 10 in betekenisvolle context
  • Hoeveelheden tot 12 kunnen schatten, tellen, neerleggen
  • Meer/minder/evenveel hoeveelheden tot 12
  • Benoemde aantallen tot 10 telbaar representeren met bv. vingers, streepjes, stippen, en deze vaardigheid in toepassingssituaties van erbij en eraf benutten.
  • Eenvoudige optel- en aftrekproblemen in dagelijkse contexten handelend kunnen oplossen tot 12 (en eronder)
  • Rangtelwoorden eerste, tweede, derde etc. t/m 10 herkennen en gebruiken

Meten:
  • Inhouden (wat erin zit en wat erin kan) op verschillende manieren vergelijken: Op het oog, via in elkaar overgieten, en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel.
  • Activiteten aanbieden met het vergelijken van het gewicht van verschillende objecten. Ze verkennen daarbij zowel het wegen op de hand als met een balans.
  • Verschillende grootheden (lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, geld) kunnen onderscheiden in concrete situaties
  • Puzzels met concrete voorstelling van ongeveer 24 stukjes maken
  • Herhalen van allerlei begrippen, 3 en 2 dimensionaal en de verschillen in betekenis tussen deze begrippen weten. Ook hun vergrotende/overtreffende trap (groot-groter-grootst) actief en passief beheersen

Meetkunde: aanbieden: Oriënteringsbegrippen:
Positie:         Links van, Rechts van, Van boven op kijken
Richting:      Naar links,  Naar rechts, Schuin omhoog
 
Idem in het platte vlak en werken met eenvoudige plattegronden
  • Activiteiten aanbieden met het opereren met vormen en figuren:  Via activiteiten met spiegels en schaduwen in aanraking komen met symmetrie en afbeeldingen van vormen en figuren.
  • Werken met mozaïeken: Mooie patronen samenstellen en herkennen van regelmaat, symmetrie en samenstellingen van figuren.
  • Afbeeldingen nabouwen waarbij niet alles is te zien
  • Werken met allerlei constructiemateriaal
  • Werken met allerlei vormen, het zien van overeenkomsten en verschillen 

Tijd:
  • Dagen van de week benoemen in goede volgorde
  • Vroeg/laat, vroeger/later

Geld:
Begrippen herkennen en gebruiken: geld, duur(st), duurder euro, goedkoop(st), goedkoper, munten, papiergeld, meer/minder waard

Fijne en grove motoriek
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:

Knippen:
  • Knippen van (voorgetekende) figuren
  • Knippen van karton, papier, stof
  • Kleine vormen knippen en plakken
  • Plakken van allerlei ruimtelijke vormen
  • Plakken combineren met andere technieken

Vouwen:
  • Vouwen combineren met andere technieken
  • Complexere vouwsels maken

Kralen en sluitingen:
  • Kralenplank, kleine kralen rijgen
  • Fijne sluitingen open en dichtmaken

Nauwkeurig plaatsen: maken van complexe figuren met klein materiaal, bv. bouw- en constructie, ministeck, mozaïek, puzzels
 
Tekenen / schilderen:
  • Tekenen met details; gebeurtenissen weergeven met kleurnuances
  • Gedetailleerde menstekening
  • Vierkant, cirkel en driehoek tekenen
  • Vloeiende teken/schrijfbewegingen stimuleren
  • Onderkant papierlijn als grondlijn
  • Inkleuren binnen de lijnen
  • Juiste en ontspannen pengreep
  • Schrijfpatronen natekenen

Lopen:
  • Soepel lopen en rennen
  • Ontwijken van bewegende hindernissen tijdens het hardlopen)

Hinkelen en huppelen:
  • Op voorkeursbeen
  • Langere afstand hinkelen
  • Huppelen op juiste wijze, ritmisch

Springen:
  • Aanloop nemen en springen
  • Loopsprong: afzetten en landen met 1 voet
  • Tegelijk klappen en springen

Rollen:
  • Met 1 hand, gericht, voorkeurshand
  • Koprol in de juiste richting

Gooien en vangen:
  • Kleine bal omhoog gooien en vangen
  • Toegegooide bal vangen
  • Mikken op een doel
  • Bal of pittenzak naar ander kind gooien

Evenwicht: over evenwichtsbalk of over smalle kant van de balk lopen
 
Klimmen: rek: soepel, allerlei variaties

Sociaal emotionele ontwikkeling

Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie 
Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende stimuleren:              
    
Spel:
  • Lange tijd spelthema en speelrol langer volhouden
  • Langer met anderen spelen
  • Praten over spelplan, taken, rollen verdelen
  • Zich proberen in te leven in bedoelingen van anderen en daar zelf op inspelen
  • Spelthema’s en rollen gevarieerder, omvatten situaties buiten directe dagelijkse leefwereld
  • Gezelschapsspelletjes spelen, zich aan de regels houden

Zelf:
  • Zelfkennis
  • Zelfvertrouwen
  • Eigen gevoelens onder woorden brengen

Sociale ontwikkeling:
  • Begroeten, afscheid nemen van anderen
  • Samenwerken, afspraken maken, iets beloven en zich daaraan houden
  • Emoties van anderen kennen en interpreteren
  • Verschil tussen jezelf en de ander weten (bv. lichaamskenmerken, traditie, voorkeuren, karakter)
  • Kritiek begrijpen en accepteren
  • Aanpassen aan nieuwe situaties

Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Zelfstandig werken
  • Omgaan met uitgestelde aandacht
  • Kleine problemen zelf oplossen
  • Gericht vragen (kunnen) stellen
  • Zich moeilijker taak stellen en uitgebreider plan maken
  • Aandacht opbrengen voor werkje (15-20 minuten)
  • Doorzettingsvermogen
  • Tempo ontwikkelen
  • Tijd nemen voor goed resultaat
  • Kritisch op eigen prestaties
  • Kritiek accepteren

Dagelijks aangeboden doelen (in allerlei situaties):

Taal:
  • (Correct) spreken bevorderen d.m.v. gesprekssituaties stimuleren
  • Vertrouwd maken met lezen d.m.v. recreatief  voorlezen (bv. bij het naar huis gaan, fruit eten)
Rekenen:
  • Spontane telsituaties benutten
  • Tijdsbesef bevorderen d.m.v. dagritme in de klas doornemen en visualiseren