Groep 1
Marleen Smit, Janneke Rouwenhorst

Tussendoelen en leerlijnen


Periode 1


Taal:
spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid
Luisteractiviteiten aanbieden:
  • Naar leerkracht en medeleerlingen (5 min)
  • Luisteren naar geluiden en nabootsen
  • Luisteren naar eenvoudige opdracht (en begrijpen   
  • stimuleren)
  • Eenlettergrepig woord nazeggen
Correct spreken stimuleren: zich in korte zinnen verstaanbaar uiten
Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag aanbieden, uitleggen, later consolideren en controleren
Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen:
    arm      hand      been     voet      buik    rug
Opzegversjes en liedjes aanbieden (stimuleren tot meezeggen / zingen)
d.m.v. Interactief voorlezen van boeken en teksten, daarbij kinderen
  • Bekend maken met boeken, kaft, titel, bladzijde etc.
  • Laten reageren op geschreven taal
  • Praten over plaatjes
  • Commentaar geven
Koppeling gesproken – geschreven taal verder bevorderen d.m.v. zichtbare letters en woorden in de klas
Classificeren: op soortnamen uit directe leefwereld (bijvoorbeeld kleren en speelgoed)

Visuele waarneming stimuleren door:

  • Op plaat vijf details aanwijzen (waar is de …..?)
  • Kleuren aanwijzen, benoemen (rood, geel)
  • Grotere puzzels met concrete voorstelling maken

Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde

Getallenlijn met cijfers 1 t/m 10 in de klas hangen
Aanbieden:   Tellen en getalbegrip:
  • Tellen als versje 1-5 d.m.v. versjes opzeggen / zingen en eventueel aanleren
  • Getallen in prentenboeken benoemen (ook volgende blokken)
Meten: Kennismaken met Lengte, Inhoud, Gewicht:
Globaal besef hoeveelheid en grootte drie dimensionaal (passief):
  • Veel – weinig
  • Groot klein, groter-kleiner, grootst-kleinst,
  • Lang–kort, langer-korter, langst-kortst
  • Evenveel, Even groot
 
Meetkunde: De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen
    (positie) :  voor, achter, op          
    (richting) : naar toe, vanaf Idem in het platte vak
 
De kinderen  (ook in volgende perioden) ervaring op laten doen met:
  • het construeren met vrij materiaal,
  • bouwen met (groot)  constructiemateriaal als blokken, duplo, kapla, rails
  • groot materiaal met hulp op, in elkaar passen;
  • ander meetkundig constructiemateriaal
  • papier
ze in deze periode in aanraking laten komen met de volgende meetkundige figuren:Blok    Kubus    Bal     Bol en deze vorm aanwijzen en  benoemen
Tijd: verschil dag-nacht
Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen’
Fijne en grove  motoriek (ook periode 2)
Scheuren en knippen
  • scheuren van stukjes papier
  • aanleren van knipbeweging
  • knippen van rechte en gebogen lijn
Plakken:  vrij plakken; leerkracht helpt lijm aanbrengen
Vouwen:  aanleren van techniek van vouwen
Tekenen / schilderen:
  • vrij werken met groot materiaal
  • inkleuren van grote vormen
  • diverse materialen (verf, wasco, krijt etc)
Lopen en rennen
  • Buiten en in speellokaal
  • Tikspel aanbieden
Vangen en gooien:
  • pittenzak in handen vangen
  • grote bal vangen en onderhands gooien
  • rollen met grote bal
Rollen:  aanbieden koprol: ‘mag’ nog min of meer op hoofd staan,  met hulp in verkeerde richting
Huppelen  aanbieden: ‘mag’ nog
  • schuifelen, voorkeursvoet
  • tweemaal op één been hinkelen, enkele
        passen maken, dan op het andere been hinkelen
Springen: twee voeten
Evenwicht:
  • stilstaan op twee voeten, zonder steun
  • over brede kant van een bank lopen
Klimmen:  rek: (voorzichtig, langzaam) klimmen
Sociaal emotionele ontwikkeling:
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie  (ook periode 2)Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende              
Spel:
  • spelen van kortdurende, op zich staande thema’s
  • eenvoudige spelvormen: sensopathisch spel, herhalend spel, vrij spel in hoeken, rollenspel,
  • experimenteren
  • goed leren omgaan met spelmateriaal en het materiaal gebruiken waarvoor het bedoeld is
Zelf:
  • leren kennen van de begrippen ik, jij, wij, jullie
  • positieve ervaringen laten opdoen: dit kan ik al!
Sociale ontwikkeling:
  • (kort) meedoen aan groepsactiviteiten: kringspel, 
        bewegingsspelletjes, liedjes
  • Weten namen van enkele  medeleerlingen
  • Kijken naar en belangstelling voor anderen als zij praten
  • Materiaal delen (ook periode 2)
  • Voorzichtig aanleren met op de beurt wachten
 
Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Goed gebruik wc, handen wassen
  • Kunnen jas ophangen, jas aantrekken, schoenen aantrekken
  • een bekende opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en leren overzicht hebben van daarbij benodigde materialen
  • aandacht opbrengen voor werkje (5-10 minuten)
 
 
 
Periode 2
Taal:
spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid
Luisteractiviteiten aanbieden:
  • naar leerkracht en medeleerlingen (5 min),
  • Luisteren naar verschillen tussen geluiden en deze herkennen
  • adequaat laten reageren op eenvoudige vragen en opdrachten
  • passief hanteren: Hard zacht, harder zachter, hardst zachtst
  • Trefwoord in zin herkennen
 
Correct spreken stimuleren:
  • Zich in korte zinnen verstaanbaar uiten
  • Meerlettergrepig woorden (eenvoudig) nazeggen (deurbel)
 
Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag aanbieden,  
 uitleggen / semantiseren, later consolideren en controleren
Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen:
    hoofd          neus          rug         ogen        mond       
    buik            oren           haren     borst
  • Aandacht voor omslag van het boek, titel etc
  • De taal van voorleesboeken begrijpen.
  • Weten dat verhalen een opbouw hebben.
  • Een conclusie kunnen trekken n.a.v. een voorgelezen verhaal.
  • Voorspellingen doen over het (verdere) verloop van het verhaal.
 
Koppeling gesproken en geschreven taal bevorderen door te schrijven in de aanwezigheid van kinderen
Classificeren: op één zichtbaar kenmerk, (vorm, kleur)
Visuele waarneming stimuleren door:
Bij voorwerp ontbrekend detail opsporen (bv. gezicht: wat is
  • er weg / ontbreekt? De neus)
Kleuren aanwijzen, benoemen (groen, blauw)
Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde
 
Tellen en getalbegrip:
  • tellen en telrij 1-10 d.m.v. o.a. versjes opzeggen /  
  • zingen en spontane telsituaties benutten
  • getallen in prentenboeken benoemen
  • Herkennen groepjes van 2  zonder te tellen
  • Hoeveelheid 1-5 op vingers  tonen
  • Aandacht voor dobbelsteenstructuur (ook blok 4)
 
Meten: Lengte,  Inhoud, Gewicht:  Globaal besef hoeveelheid en grootte drie dimensionaal (passief):
  • Hoog-laag, hoger-lager, hoogst-laagst
  • Dik-dun, dikker-dunner, dikst-dunst
  • Zwaar-licht. zwaarder-lichter, zwaarst-lichtst
  • Meer-minder, meest-minst
  • Even hoog, dik, zwaar, etc.
Seriëren: Van klein naar groot,   Van kort naar lang
 
Meetkunde: De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen:
(positie) :  binnen, buiten, onder, boven
(richting) : naar beneden,  naar boven
  Idem in het platte vak
De kinderen  (ook in volgende blokken) ervaring op laten doen met:
  • het construeren met vrij materiaal,
  • bouwen met (groot)  constructiemateriaal als blokken,
                                         duplo, kapla, rails
  • groot materiaal met hulp op, in elkaar passen;
  • ander meetkundig constructiemateriaal
  • papier, water, zand
 
Ze in aanraking laten komen met bekende meetkundige figuren zoals:
rechthoek      vierkant      cirkel      driehoek en deze vorm aanwijzen en  benoemen
Tijd:
  • dagritme in de klas en  thuis
  • Aandacht voor: gisteren, vandaag, morgen 
              (hoeven ze nog niet te kennen, wel aanbieden)
Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen’.(ook periode 3-5)
Fijne en grove  motoriek
Scheuren en knippen
  • scheuren van stukjes papier
  • aanleren van knipbeweging
  • knippen van rechte en gebogen lijn
 
Plakken:  vrij plakken; leerkracht helpt lijm aanbrengen
Vouwen:  aanleren van techniek van vouwen en eenvoudige
 vouwsels maken
Tekenen / schilderen:
  • vrij werken met groot materiaal
  • inkleuren van grote vormen
  • diverse materialen (verf, wasco, krijt, kleurpotloden)
Klei: experimenteren, balletje, slangetje  maken
Lopen en rennen
  • Buiten en in speellokaal
  • Tikspel aanbieden
Vangen en gooien:
  • pittenzak in handen vangen
  • grote bal vangen en onderhands gooien
  • rollen met grote bal
Rollen:  aanbieden koprol: ‘mag’ nog min of meer op hoofd staan,  met hulp in verkeerde richting
Huppelen en hinkelen aanbieden
Springen:
  • twee voeten
  • van verhoging springen, op twee voeten landen
Evenwicht:
  • stilstaan op twee voeten, zonder steun
  • over brede kant van een bank lopen
  • even op 1 been staan
Klimmen:  rek: (voorzichtig, langzaam) klimmen
Sociaal emotionele ontwikkeling:
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie 
       Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende              
Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Goed gebruik wc, handen wassen
  • Jas ophangen, jas aantrekken, schoenen aantrekken, zelf aan / uitkleden
  • een bekende opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen
aandacht opbrengen voor werkje (5-10 minuten)‘
 
 
 
Periode 3
 
 
Taal: spreken, luisteren, woordenschat, geletterdheid
aanbieden:
Luisteren:
  • Naar leerkracht en medeleerlingen (5-10 minuten) 
  • Luisteren naar en herkennen van verschillen tussen geluiden: hoog/laag
  • Luisteren naar en herkennen van hert verschil tussen lange zinnen – korte zinnen, lange woorden –  korte woorden
  • Korte zin nazeggen (3 woorden), eerste en/of laatste woord benoemen
 
Spreken:
  • Spreken in spelsituaties stimuleren, gericht op de ander, vragen: Mag ik meedoen? Mag ik dit gebruiken / hebben?
  • Spreken in diverse situaties stimuleren zodat correcte zinsbouw zich kan ontwikkelen
 
Woordenschat: binnen thema 2 woorden per dag aanbieden,  
 uitleggen / semantiseren, later consolideren en controleren
 
Lichaamsdelen aanwijzen en benoemen:
Billen    schouder    borst    rug    nek
 
Map Fonemisch Bewustzijn onderdeel ‘luisteren’ en ‘zinnen en woorden’ aanbieden (3 x per week een kwartier)
 
Spelletjes met woorden in zinnen onderscheiden, d.m.v.
  • Tel de woorden in een zin
  • Verzin een zin
  • Maak de zin langer
 
  • Interactief voorlezen 3 x per week aandacht besteden aan:
  • Boeken worden gelezen van voor naar achter, bladzijden van boven naar beneden en regels van links naar rechts
  • Aan de hand van de omslag de inhoud van een boek al enigszins vooorspellen
  • Later checken: klopte de voorspelling?
  • Vragen stellen over het boek (luisteren en gebruik illustraties stimuleren)
  • Een voorgelezen verhaal naspelen terwijl de leerkracht vertelt
Relatie tussen geschreven en gesproken taal aanbieden:
  • Aandacht voor pictogrammen
  • Laten ervaren dat geschreven taalproducten zoals briefjes, appjes, boeken en tijdschriften mogelijkheden bieden tot communicatie
  • Modelen dat geschreven woorden kunnen worden uitgesproken
  • Laten ervaren dat je door iets op te schrijven iets vast kunt leggen en onthouden
  • Verschil tussen lezen en schrijven laten ervaren
 
Classificeren en seriëren aanbieden: Sorteeropdrachtjes  / spelletjes op kleur en/of vorm
 
Visuele waarneming stimuleren door:
  • Kleur aanwijzen, benoemen:  Zwart, wit, oranje, herhalen rood geel blauw groen
  • Verschillen in eenvoudige plaatjes onderscheiden
  • Op complexere kaart 10 details aanwijzen
 
Rekenen: tellen, getalbegrip, meten en meetkunde
Tellen en getalbegrip:
  • Aanrakend en aanwijzend synchroon tellen 1-5
  • Getallenreeks: welk getal onder de vlek? (getallen 1 t/m 5)
  • Buurgetallen 1-5
  • Herkennen groepjes van 2 en 3 zonder te tellen
  • Telrij tot 10 aanbieden (ook periode 4)
  • Aanbieden: eerste, tweede, derde (rangtelwoorden, ook periode 4, 6)
 
Meten: Lengte  Inhoud  Gewicht: globaal besef hoeveelheid en grootte: tweedimensionaal (passief) begrippen:
  • Veel – weinig
  • Groot klein, groter-kleiner, grootst-kleinst,
  • Lang–kort, langer-korter, langst-kortst
  • Hoog-laag, hoger-lager, hoogst-laagst
  • Dik-dun, dikker-dunner, dikst-dunst
  • Zwaar-licht. zwaarder-lichter, zwaarst-lichtst
  • Meer-minder, meest-minst
  • Evenveel,  Even groot, Even hoog, dik, zwaar, etc.
 
  • Activiteiten aanbieden met het afpassend meten met maateenheden als stap, voet en meterstrook (ook periode 4, 5).
Spelen en experimenteren met inhouden, zowel in de betekenis van wat erin zit als wat erin kan. Op verschillende manieren vergelijken: op het oog, via in elkaar overgieten,
  • en door afpassen of uitscheppen met eenvoudige natuurlijke maten als kopje, beker of lepel (ook periode 4,5)
Meetkunde: De kinderen lijfelijk en met materialen ervaring laten opdoen met de volgende begrippen:
(Positie): hier, daar, dichtbij, ver weg
(Richting): heen, terug
 Idem in het platte vlak
Verschil laten ervaren tussen recht (oversteken) en schuin (oversteken)
Ze in aanraking laten komen met bekende meetkundige figuren zoals   Balk,   Kubus,   Blok 
                            en deze vorm aanwijzen en benoemen
 
Bouwen met constructiemateriaal als duplo, lego, blokken, rails, kapla etc. (ook periode 4)
Eenvoudige bouwwerken van een voorbeeld nabouwen (ook periode 4)
Construeren met ‘vrij’ materiaal, met blokken,  ander meetkundig constructiemateriaal, en met papier
 
Tijd:
  • Dagen van de week en het weekend
  • Seizoenen benoemen + eenvoudige kenmerken (bv. winter: warme kleding)
Geld: Ervaring opdoen met begrippen ‘geld, betalen’ (ook periode 4,5)
Fijne en grove  motoriek
       Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende   
       stimuleren:
Knippen en plakken:
  • knippen van rechte en gebogen lijn
  • grove vormen knippen en plakken
  • een betekenisvolle vorm plakken
  • inpakken van vormen in papier
 
Vouwen:  eenvoudige vouwsels maken, minimaal rechte en schuine vouw
Kralen: kralenplank, grote kralen rijgen
Tekenen / schilderen:
  • vrij werken met materiaal
  • inkleuren van grote vormen
diverse materialen (verf, wasco, krijt, kleurpotloden
Klei: balletje, slangetje, (mens)figuurtje maken
Lopen en rennen
  • Buiten en in speellokaal
  • Tikspelen
  • Achteruit lopen ‘oefenen’
Vangen, gooien en schoppen:
  • grote bal vangen en bovenhands gooien (1 been naar voren)
  • rollen met grote bal
  • gericht schoppen van een bal
 
Rollen:  op diverse wijzen
 
Huppelen en hinkelen aanbieden
Springen:
  • met aanloop springen
  • van kast springen, op twee voeten landen
  • over een touw springen
Evenwicht:over brede kant bank lopen en over hindernis van 10 cm stappen
Klimactiviteiten aanbieden
Sociaal emotionele ontwikkeling:
Zelfbeeld, zelfstandigheid, sociale ontwikkeling en spel, werkhouding en concentratie  (deels ook blok 4)
       Activiteiten en omgeving aanbieden die het volgende              
       stimuleren:
Spel:
  • parallelspel
  • symbolisch spel spelen met opeenvolgende scènes
  • Kortdurend samen spelen met andere kinderen
  • Regisseren en spelen wisselen elkaar af
  • Aan afspraken houden, aan eenvoudige spelregels houden
  • meedoen aan groepsactiviteiten: kringspel, bewegingsspelletjes, liedjes
  • ‘breed’ spelen; in / met diverse hoeken en materialen
  • goed leren omgaan met spelmateriaal en het materiaal gebruiken waarvoor het bedoeld is
 
Zelf:
  • Uitbeelden van gevoelens: blij boos bang verdrietig
  • Voor jezelf opkomen, je verdedigen
Sociale ontwikkeling:
  • Inspelen op basale gevoelens van anderen
  • Materiaal delen
 
Zelfstandigheid en taakbesef, werkhouding en concentratie:
  • Jas ophangen, jas aantrekken, schoenen aantrekken, zelf aan / uitkleden, eenvoudige sluitingen zelf doen
  • een bekende opdracht zelfstandig kunnen uitvoeren en overzicht hebben van daarbij benodigde materialen
  • Gerichte aandacht van 10-15 minuten op de activiteit
taak afmaken en gebruikte materialen opruimen‘